In de media in de weekendbijlage van HLN : Sophie Allegaert vertelt over haar verblijf in Riad O

Riad O in hln 3Riad O in Hln 2

Logeren bij Belgen: Riad O in Marrakech
Wie al wat hij weet en kent even achter zich wil laten om zich onder te dompelen in een compleet andere cultuur, hoeft niet perse de halve wereld af te reizen. Een lowcostticket naar Marrakech volstaat. Handig vlakbij en toch helemaal anders. En als je het écht goed wil doen, dan logeer je in een Riad. En dat kan zelfs bij Belgen. Het Laatste Nieuws ging op bezoek bij Gert en Caroline die met Riad O een van hun vele dromen verwezenlijken.

Soms zit alles meteen goed. Een chauffeur die je opwacht aan de luchthaven en door de poorten van de medina loodst waar je, net voor de smalle wandelstraatjes, overgedragen wordt aan weer iemand anders die je door die stratenwirwar naar je vakantieadres brengt. Een onopvallende gevel, een zware deur zwaait open en een breed glimlachende Saïd, de rechterhand van Gert en Caroline, heet me oprecht welkom. Achter hem het zwembad dat lonkt, naast hem Fahima, de kokkin van dienst, die even dag komt zeggen en meteen informeert naar mijn lunchwensen. In een mum van tijd ben ik geïnstalleerd op het zalige dakterras met een heerlijke muntthee en nog warme koekjes. Nog geen uur in Marokko en nu al verkocht. Zo snel kan het gaan. Een lunch later, laat Saïd weten dat de hamman klaar is voor mijn Ritueel Riad O en ik hoef er het dakterras niet eens voor te verlaten. In die hooggelegen hamman word ik gescrubt zoals ik nooit eerder gescrubt werd. De zwarte zeep en kruiden doen hun werk en ik verlies zowat de helft van mijn vel. Of zo lijkt het toch. Ik wil voortdurend uitroepen dat ik nochtans proper op mijn eigen ben, maar telkens ik mijn mond opendoe, volgt er een waterlawine dus geef ik het op. Daarna word ik deskundig ingesopt, krijg ik een masker van natuurlijke klei aangebracht en na een laatste spoelsessie mag ik naar mijn mooie kamer waar een massagebed opgesteld staat en ik net niet in coma val. Kortom, dit blinkende babyvel is helemaal klaar om die befaamde stad te ontdekken. Saïd neemt me op sleeptouw en overlaadt me met nuttige informatie. ‘Hier, in deze straat, moet je niets kopen, dat is te ver van de souk, je betaalt hier vijfmaal meer.’ ‘Afdingen is simpel, je doet het met de glimlach en je start met een derde van de vraagprijs. Zolang je nooit meer dan de helft betaalt, zit je goed.’ ‘Babouches voor je dochter? Max 50 Dirham, 40 is beter.’

En dan belanden we op dat majestueuze Djemaa El Fna plein en val ik stil. De schemering valt en van op het dakterras van een theehuis zien we hoe het plein wakker wordt. Slangenbezweerders, toekomstvoorspellers, verhalenvertellers, dit is hun plek en ze palmen ze met bravoure in. De rest van het plein hoort de eetkraampjes toe die stuk voor stuk propvol zitten. In Marrakech houden ze van het goede leven. Ik bedenk dat ik hier solo hopeloos zal verdwalen. Een voorspelling die ’s anderdaags waarheid wordt. De ochtend start nochtans goed. Samen met Fahima trek ik naar de markt om er boodschappen te doen voor onze kookworkshop. We passeren levende kippenkramen, Fahima koopt hele bossen kruiden en keurt elke tomaat. De prijzen zijn zo verbazingwekkend, een halve kilo gedroogde kruiden kost daar minder dan een potje droogkruiden hier, dat ik ze meteen verdring. En dan is het tijd om te koken en kookwijsheden uit te wisselen à la: ‘water kookt op 100°, melk als je je omdraait’. Terwijl we ajuinen pellen, pompoen versnijden en ik eindelijk leer hoe je met dat brikdeeg om moet gaan, vertellen we over ons leven. Zij gescheiden na een kort huwelijk, ik net getrouwd na tien jaar samenzijn. Zij verbaasd dat ik er zoveel tijd voor nodig had, ik verrast dat scheiden in Marokko geen taboe is. Samen besluiten we dat er in de politiek misschien meer samen gekookt moet worden. Of hoe de wereld verbeteren vanuit de keuken.

Na een, uiteraard, voortreffelijke lunch heeft Saïd een gids geregeld die me enkele andere highlights van Marrakech laat zien. Een betoverende estafette van esthetisch geluk. We starten in de fabelachtige Jardin Majorelle, gerestaureerd door de betreurde Yves Saint Laurent, waar elke bezoeker hoopt om ook na de openingsuren te mogen blijven. Daarna gaat het naar wondermooie Palais Bahia om te eindigen in de Tanneries, de leerlooierij, waar ik er achter kom dat slippers niet altijd de beste schoenkeuze zijn. Nog voor ik een bosje munt overhandigd krijg, kwestie van de ergste stank wat te counteren, verneem ik dat die tannerie dateert uit de 11de eeuw en de oudste van Marokko is. Er zijn sinds oudsher twee coöperatieves aan de slag. De Arabieren houden zich bezig met de ‘kleine vellen’, de berbers met de grote exemplaren. Zowat 25 families zijn er aan de slag en de stiel wordt van vader op zoon doorgegeven. De huiden worden bij het krieken van de dag opgehaald in het slachthuis en daarna volgt een bassincircuit. Van een zoutbassin, naar een kalkbassin om via een bassin met duivenstront (natuurlijke ammoniak) uiteindelijk in een welriekend mimosabassin te eindigen om die vreselijke geuren te verjagen. Eind goed, al goed. De stank is haast niet te harden en ik wil niet weten in welke zompige dierenresten ik mijn slippervoeten plant, maar het spektakel is zo indrukwekkend dat ik haast vergeet om met mijn muntbosje te zwaaien.

Terug thuis in Riad O blijft de stad me roepen. Ik installeer me op het dakterras, maar de aanwaaiende stadsgeluiden, van huilende baby’s over balkende ezels tot echtelijke discussies, laten me fijntjes weten dat er buiten nog veel meer te beleven valt. Saïd geeft me een plan en zijn gsmnummer, kwestie van ooit terug te geraken, en ik trek er solo op uit. Vastberaden, te trots om op dat plan te kijken en volledig overtuigd van mezelf stap ik stevig door. Anderhalf uur later beland ik terug op hetzelfde punt. Verdwalen is geen kunst in Marrakech. Tijdens mijn tweede poging beland ik uiteindelijk toch op het Djemaa El Fna plein en net wanneer ik de souk binnenga, breekt de hel los. Het heeft vijf maand niet geregend en dat zetten de weergoden eventjes recht. De halve souk staat onder water en er wordt met man en macht getracht om al die koopwaar droog te houden. Ik slenter verder in dat halfoverdekte shoplabyrint en stuur een uurtje later een sms naar Saïd om hem gerust te stellen. Hij laat me prompt weten dat hij me komt ontzetten en nog geen tien minuten later arriveert een uitgeregende Saïd op zijn scooter met een taxi in zijn kielzog. Die laveert door de overstroomde stad, parkeert zo dicht mogelijk bij de riad waar een onbekende man met paraplu me opwacht. ‘Madame Sophie?’, onderweg grist hij nog een paraplu uit de hand van een vriend en zo kom ik droog in Riad O aan. Geen idee hoe de tamtam in Marrakech precies werkt, maar effectief is het systeem wel. Ik dank ondertussen de goden dat ik niet in een groot anoniem hotel verblijf. Verdwalen is een ding, verdwalen tijdens een zondvloed iets helemaal anders.

De volgende dag heeft Saïd een uitstap voor me geregeld. Gids en privéchauffeur Mouhssine pikt me op voor een trip naar de Ourikavallei. Nog voor we stad uit zijn, passeren we zwaar beladen fietsen bestuurd door oude mannetjes zonder veel tanden of evenwicht, brommers met daarop meterslange balken en ezels die hele kruidenvoorraden voorttrekken. We zijn een uurtje onderweg, lijken door een postkaart te rijden en houden halt bij een berberfamilie om er thee te drinken en bij de arganolie coöperatieve die de gescheiden vrouwen en weduwes uit het dorp tewerkstelt. In de vallei wacht gids Obama die me de watervallen zal tonen. Het klautertracé start aan de rivier die omzoomd is met zalig terrassen in het water en heerlijke siëstacabines. De plek waar oververhitte stedelingen ’s zomers verkoeling komen zoeken. Hoe lang we precies onderweg zullen zijn, kan Obama niet zeggen. Dat er stevig geklommen wordt wel. Obama, geboren en getogen in deze kontreien, huppelt als een berggeit voor me uit terwijl de mannen van het dorp kratten vol versgeplukte appels naar beneden sleuren. Een uitgerekte sliert van eet- en drinkstalletjes stuwt elke passant omhoog en wanneer we de eerste waterval zien, wordt duidelijk waarom Obama wazig bleef over de lengte van het tracé. ‘Dit is de kleine waterval, de grote ligt op 1.500 meter, nog een stevig eind wandelen. Maar voor heel wat mensen is dit genoeg en dan spreken we niet over klein en groot, maar over de eerste en de tweede waterval. Kwestie van hen niet het gevoel te geven dat ze iets missen.’ Slimme jongens die Marokkanen. Wij houden vol, balanceren over krakkemikkige bruggetjes zonder reling, springen over gladde keien en stroompjes om uiteindelijk beloond te worden met een ongestoorde blik op dat waterfestijn en wat wilde apen. Niet dat het hier ophoudt, we gaan nog hoger tot we op een muur van kletsnatte mosrotsen botsen. Voor 5 Dirham verschijnt er een ladder die de oversteek mogelijk maakt. ‘Hij verdient er zijn boterham mee en ’s avonds, als hij afdaalt, raapt hij al het zwerfvuil mee.’ Zo eenvoudig kan het leven zijn en plots snap ik waarom Gert en Caroline hier hun hart verloren.

Bron: HLN 21 November 2015